Posts tonen met het label Melville Herman. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Melville Herman. Alle posts tonen

donderdag 21 september 2017

1.1.1.4.1.1. Herman Melville, Bartleby, The Scrivener (1856)




Bartleby is in het gelijknamige verhaal van Herman Melville, voluit Bartleby, The Scrivener: A Story Of Wall-street, een enigmatisch personage, dat zich vooral profileert door een totale weigering om tot actie over te gaan. Het verhaal is opgenomen in de bundel The Piazza Tales (1856).

→ Herman Melville, Bartleby, The Scrivener (1856)

De ik-persoon – laten we hem de Verteller noemen – stelt zichzelf voor. Hij is een bijna zestigjarige jurist. Na een carrière van dertig jaar is hij beroepshalve al vaak in contact gekomen met scriveners. Een scrivener is, letterlijk vertaald, een schrijver, maar hier gaat het ook en eigenlijk in de eerste plaats om beroepsschrijvers, bijvoorbeeld kopiisten, met name op bijvoorbeeld een advocatenkantoor. De verteller zegt dat hij zelfs over de saaiste scriveners die hij heeft gekend een hele biografie zou kunnen samenstellen, maar er is er een die er toch van tussenuit valt, en dat is Bartleby, die zo weinig sporen heeft nagelaten dat er over hem eigenlijk nauwelijks iets te zeggen valt. It is an irreparable loss to literature. De Verteller kan enkel weergeven wat hij met zijn eigen astonished eyes heeft gezien.

Maar eerst moet hij het over zichzelf hebben, dat is noodzakelijk om het vervolg van het verhaal, dat dus, gezien de titel, over Bartleby zal gaan, te begrijpen.

De Verteller is een advocaat-zonder-ambitie, die leeft volgens het principe that the easiest way of life is the best: in zijn kantoor, gevestigd in ‘Wall-street’, gaat hij voorzichtig en ‘met methode’ te werk. De werkdruk is onlangs aanzienlijk toegenomen omdat een kantoor werd overgenomen. Dat is de reden waarom de Verteller Bartlebey in dienst heeft genomen. Zo krijgen Turkey, een vóór de middag efficiënte en hondstrouwe en ná de middag inefficiënte, kolerieke en slordige Engelsman die even oud is als de verteller, de 25-jarige ambitieuze en keurige maar nerveuze en drankzuchtige Nippers, die ná de middag opvallend kalmer is, en Ginger Nut, het 20-jarige manusje-van-alles, een nieuwe collega. Dat wordt dus Bartleby, pallidly neat, pitiably respectable, incurably forlorn.

De Verteller-kantoorhouder verwacht dat Bartleby een standvastige en nauwkeurige medewerker zal zijn, en is dan ook verwonderd wanneer Bartleby de eerste keer dat hem iets wordt gevraagd dat van zijn kerntaak – wetteksten kopiëren – afwijkt, doodleuk maar beslist antwoordt: ‘I would prefer not to.’ De Verteller weet hier geen weg mee. Normaal gezien zou hij de man meteen ontslaan, maar Bartleby maakt zo’n starre, onbewogen en onthechte indruk dat hij, de Verteller dus, net zo goed de gipsen buste van Cicero op de stoep had kunnen zetten (zijn woorden).

Enkele dagen later herhaalt de situatie zich. De Verteller weet er geen raad mee: there was something about Bartleby that not only strangely disarmed me, but in a wonderful manner touched and disconcerted me. De man begint hem te ergeren maar ook te intrigeren. Hoe kan hij zo nauwgezet zijn en tegelijk koppig ongehoorzaam? Vanwaar die recalcitrante houding?

Bartleby komt er mee weg en verwerft, door Vertellers perplexe afwezigheid van adequate reactie, een voorkeursbehandeling: hem wordt niets meer gevraagd dat van zijn kerntaak afwijkt. Dat Turkey, Nippers en Ginger Nut het daar niet mee eens zijn, neemt de Verteller er dan maar bij. Bartleby is al bij al, als hij niets anders moet doen dan kopiëren, een goede en betrouwbare werkkracht. En bovendien: I had a singular confidence in his honesty.

Op een zondagmorgen betrapt de Verteller Bartleby in zijn ondergoed op het kantoor. Het is duidelijk dat Bartleby er gewoon zijn intrek heeft genomen. Hoe eenzaam moet hij niet zijn, realiseert de Verteller zich, en hij weet zich overmand door een fraternal melancholy. Hij trekt zich Bartleby’s lot aan. Maar tegelijkertijd voelt hij toch ook dat hij Bartleby niet kan helpen omdat: it was his soul that suffered. Dat blijkt ook uit de Bartleby’s reactie wanneer de Verteller hem ’s anderendaags uitnodigt tot een gesprek: zoals steeds luidt het antwoord: I would prefer not to.

Het woord prefer dringt binnen in het spreken van de Verteller, maar ook in dat van Turkey en Nippers.

Op een dag weigert Bartleby nog teksten te kopiëren. Ook daarop reageert de Verteller aanvankelijk met een verbijsterd immobilisme en met medelijden. Hij besluit Bartleby nog een week te geven om zijn biezen te pakken. Wanneer die week om is, zit de weerspannige klerk nog altijd op zijn plek. ‘U moet vertrekken,’ maant de Verteller. I would prefer not, luidt het inmiddels voorspelbare antwoord. Een volgend bevel loopt op dezelfde weigering uit. En weer weet de Verteller niet hoe hij daar gepast moet op reageren. Misschien kan hij doen alsof Bartleby vertrokken is? Maar neen, dat brengt natuurlijk ook geen zoden aan de dijk. Opnieuw laat de Verteller zijn menslievendheid en medelijden zegevieren. Hij begint het zelfs – in weerwil van de niet mis te verstane commentaren van bezoekers – als een voorbeschikking van de Voorzienigheid te zien, dat die hem met Bartleby heeft opgezadeld, wellicht om hem iets diepmenselijks of iets van ethische envergure duidelijk te maken: Bartleby was billeted upon me for some mysterious purpose of an all-wise Providence, which it was not for a mere mortal like me to fathom.

Uiteindelijk ziet de Verteller enkel in het zelf verhuizen een mogelijkheid om van Bartleby af te geraken. Dat dacht hij maar! De volgende huurders van het pand aan ‘Wall-street’ maken hun beklag en eisen dat hij de man die daar is achtergebleven van hen overneemt. De Verteller gaat met Bartleby spreken, maar zonder resultaat. Bartleby: ‘at present I would prefer not to make any change at all’. Uiteindelijk wordt Bartleby door de nieuwe huurder manu militari verwijderd en in een tehuis voor zwervers geplaatst, waar hij, ondanks alle aangeboden hulp, op een treurige wijze aan zijn einde komt.

In een naschrift, een alinea die buiten het relaas valt, vernemen we dat de Verteller na navraag heeft vernomen dat Bartleby, voordat hij bij de Verteller, Turkey, Nippers en Ginger Nut kwam werken, of beter gezegd niet kwam werken, werd ontslagen op de Dead Letter Office in Washington – ik vermoed dat dit een dienst is die zich ontfermt over brieven die werden verstuurd naar reeds overleden bestemmelingen.

zaterdag 26 augustus 2017

1.1.1.4.1. Philippe Delerm, Quelque chose en lui de Bartleby (2009)



1.1.1.4. Ann Meskens, Jacques Tati. Een kwestie van kijken →

Ann Meskens noemt Philippe Delerm als iemand die met taal doet wat Tati met film doet: in een ‘Tati-universum’ maakt hij ‘minuscule observaties’. ‘Mijnheertje Spitzweg (…) is tegentijds, tegendraads, uiterst individualistisch, de flaneur die leeft van zijn blik op de anderen.’ ‘Monsieur Spitzweg’, een alsacien die naar Parijs is verhuisd, is het hoofdpersonage in – onder meer? – de korte roman Quelque chose en lui de Bartleby.

Philippe Delerm, Quelque chose en lui de Bartleby (2009)


Philippe Delerm geldt in Frankrijk als de meester van het detail, van het kleine genoegen, van de rake observatie – hij brak door met de 35 miniatuurtjes van telkens twee of drie bladzijden die samen La première gorgée de bière et autres plaisirs minuscules (1997) vomden. In Quelque chose en lui de Bartleby voert hij een zekere Arnold Spitzweg op, die hij meestal ‘Monsieur Spitzweg’ noemt, met een knipoog naar de Monsieur Teste van Paul Valéry, veronderstel ik, maar zeker ook naar Tati’s Monsieur Hulot. Monsieur Spitzweg lijkt wel een alter ego van Delerm, met zijn hebbelijkheid om, enigszins onaangepast en van op de zijkant, de kleine anekdotes te observeren – en te noteren – die zich openbaren aan wie daar een goed oog voor heeft. Die zijkant, dat onaangepaste: dat is belangrijk. Het gaat erom van de dingen die iedereen belangrijk lijkt te vinden de betrekkelijkheid in te zien, en precies in wat door de meesten wordt veronachtzaamd een waarde aan te treffen. En om daar dan getuigenis van af te leggen. Of toch niet?

Dat laatste is in deze kleine roman van Philippe Delerm cruciaal: moet de onaangepaste observator getuigenis afleggen? En zo ja, waarom zou hij dat dan doen? Wat anders dan het verlangen beroemd of toch minstens erkend te zijn zou daarvan de drijfveer kunnen zijn? Maar druist dat niet net in tegen wat hij au fond is en wil zijn? Door uit zichzelf te treden (lees: door te publiceren), zou hij precies aan zijn eigen raison d’être verzaken, namelijk: in zichzelf zijn, buiten de maatschappij staan, de nodige afstand bewaren om een observator te kunnen zijn – waardoor hij ook anderen kan doen inzien dat niets banaal is (‘rien n’est banal’), dat wil zeggen dat ook het schijnbaar meest onbeduidende de kracht van de glans in zich kan hebben die over de dingen komt te liggen als je ze op een bepaalde manier bekijkt, als je daar de nodige aandacht kunt voor opbrengen.

Het is dubbel. Arnold Spitzweg schrijft zijn observaties, anekdotes en kleine verhaaltjes neer in een blog. Hij houdt, zoals álle bloggers doen, nauwlettend het aantal bezoekers in de gaten. Hij wil er natuurlijk veel, meer, steeds meer. Hij leest alle reacties en beantwoordt ze. Op een bepaald ogenblik wordt hij gecontacteerd door een uitgever die brood ziet in zijn teksten. Wat nu?

Bartleby is het hoofdpersonage in Herman Melvilles verhaal Bartleby, the Scrivener (1856) waarover op Wikipedia te lezen is: ‘Bartleby's passivity has no place in a legal and economic system that increasingly sides with the “reasonable” and economically active individual.’ Delerm kent niet alleen dit verhaal maar heeft ook wat secundaire literatuur doorgenomen en is zo tot de vaststelling gekomen dat er zoiets bestaat als een ‘Bartleby-syndroom’: ‘l’attitude littéraire de tous les auteurs ayant renoncé à la création non par impuissance mais parce qu’elle leur semblait dérisoire, inférieure en tout cas à l’intensité de la vie réelle’.

Wat moet Monsieur Spitzweg doen? De verleiding om te publiceren is groot. Maar waaruit bestaat zijn vie réelle? Het schrijven maakt daar deel van uit, ongetwijfeld. De rompslomp evenwel die nu eenmaal gepaard gaat met uitgegeven worden duidelijk niet. Want de kandidaat-uitgever laat er geen twijfel over bestaan: Arnold zal wel degelijk moeten opdraven voor interviews, ook op de tv mocht daar vraag naar zijn. Wanneer Arnold tegenpruttelt, heeft de uitgever zijn antwoord klaar: ‘Écoutez, il y a déjà un Thomas Pynchon.’


Volg alle teksten van het project 'laatste rechte lijn': hier